Onderzoek Sport & RTP 29 juni 2026
Chen et al. (2025)

Programma’s voor het voorkomen van musculoskeletale blessures: Welke trainingsvormen zijn het meest effectief? Een overzicht van meta-analyses

Preventieprogramma’s voor musculoskeletale letsels (1)

Inleiding

Blessurepreventie is een grote uitdaging in de topsport. Musculoskeletale blessures ontstaan door een complexe wisselwerking van factoren, waaronder suboptimale bewegingspatronen, onjuiste trainingsbelasting, vermoeidheid en sport-specifieke eisen. Daarom zijn er talrijke blessurepreventieprogramma’s ontwikkeld om aanpasbare risicofactoren bij atleten aan te pakken.

Huidige benaderingen van blessurepreventie leggen de nadruk op het principe van specificiteit: preventieve interventies moeten zo veel mogelijk de motorische en biomechanische eisen van een specifieke sport nabootsen. Toch geven theorieën over motorisch leren en motorische controle aan dat de overdracht van trainingsadaptaties uit preventie-oefeningen naar sport-specifieke prestaties beperkt kan zijn wanneer de taakkenmerken sterk verschillen. In de klinische praktijk worden preventieprogramma’s vaak beperkt door praktische randvoorwaarden en kunnen ze de eisen die je in sportsituaties tegenkomt niet voldoende nabootsen. Dat roept vragen op over de effectiviteit van multimodale blessurepreventieprogramma’s die onderdelen combineren zoals kracht-, lenigheid-/wendbaarheids-, balans- en proprioceptieve training. Daartegenover kunnen eenvoudigere interventies met één component, met name krachtgerichte programma’s, juist een gerichtere en klinisch realistischer aanpak bieden.

Het doel van deze review is om de effectiviteit van blessurepreventieprogramma’s te onderzoeken in verschillende anatomische regio’s en bij sportpopulaties, en om het bewijs te bundelen over multimodale en blessurepreventieprogramma’s met één component.

 

Methoden

Er is een uitgebreide literatuursearch uitgevoerd in medische databases. De selectie van studies is onafhankelijk uitgevoerd door twee beoordelaars. Zij screenden titels, abstracts en vervolgens volledige teksten op basis van vooraf vastgestelde in- en exclusiecriteria. Eventuele meningsverschillen zijn opgelost door middel van overleg.

Data-extractie bevat studie-eigenschappen (auteur, publicatiejaar), demografische kenmerken van deelnemers (leeftijd, geslacht, sport), steekproefgrootte, interventiekenmerken (duur en frequentie), blootstellingsduur, letseltype, letselincidentie en het aantal letsels. Letselpercentages werden berekend als het aantal letsels gedeeld door het totale aantal deelnemers en uitgedrukt als een percentage.

De auteurs hebben een meta-analyse uitgevoerd om te bepalen of krachttraining het risico op blessures in contactsporten verlaagt. Voor elke studie berekenden ze de blessureratio door het aantal blessures te delen door het aantal deelnemers in zowel de interventie- als de controlegroep. Die blessureratio’s werden vervolgens gebruikt om een Relatief Risico (RR) te berekenen met een 95% betrouwbaarheidsinterval, en de resultaten van alle studies zijn samengevoegd. Er is een random-effects model toegepast om rekening te houden met verschillen tussen de studies. De auteurs hebben ook subgroepanalyses uitgevoerd om te onderzoeken of de effecten van krachttraining verschilden per lichaamsregio (schouder, knie, enkel, lies of hamstring). Er zijn sensitiviteitsanalyses uitgevoerd om de robuustheid van de bevindingen te beoordelen. Tot slot is publicatiebias beoordeeld met funnel plots en Egger’s test.

 

Resultaten

Deze meta-analyse omvatte 16 studies met in totaal 7.459 deelnemers. De leeftijd lag tussen 16 en 47 jaar, waarbij mannen > 70% van de deelnemers vertegenwoordigden. De studie includeerde alleen regelmatige sportbeoefenaars om het verstorende effect te beperken dat onvoldoende training mogelijk kan hebben op het risico op letsel. 

Interventie en naleving

Hoewel alle 16 geïncludeerde studies gevestigde principes voor krachttraining volgden, verschilden de programma’s voor blessurepreventieaanzienlijk. De interventies omvatten excentrische oefeningen (zoals Nordic hamstring-oefeningen), concentrische spierversterking, isometrische training en combinaties van verschillende vormen van krachttraining. Sommige interventies namen ook extra onderdelen mee, zoals balans- en plyometrische oefeningen, en werden doorgaans uitgevoerd als onderdeel van de warming-up vóór trainingssessies of wedstrijden. De duur van de interventies liep uiteen van 10 tot 46 weken, en uitkomsten werden gerapporteerd als hetzij het totale blessurepercentage, hetzij blessures die specifieke lichaamsregio’s betroffen. De therapietrouw van deelnemers lag over het algemeen hoog; in de meeste studies werden compliancepercentages gerapporteerd van meer dan 70%. Gedetailleerde informatie over de studiekenmerken en interventieprotocollen, inclusief trainingsfrequentie, -volume, blootstellingsduur en compliance, is opgenomen in tabellen 2 en 3.

Programma’s voor blessurepreventie bij het bewegingsapparaat
Van: Chen et al., Orthop J Sports Med. (2025)

 

Resultaten van meta-analyse en subgroepanalyse

De meta-analyse omvatte 16 studies met 27 uitkomstmaten en liet zien dat krachttraining het totale risico op blessures in contactsporten aanzienlijk verlaagde. Met een random-effects model lieten de gepoolde resultaten een 30% lagere blessurerisico zien bij atleten die krachttraining deden, vergeleken met de controlegroep (RR = 0,70, 95% BI 0,60–0,82). Het niveau van heterogeniteit was laag (I² = 38%) en er was geen aanwijzing voor publicatiebias op basis van inspectie van de funnel plot en Egger’s test.

Programma’s voor blessurepreventie bij het bewegingsapparaat
Van: Chen et al., Orthop J Sports Med. (2025)

 

Subgroepanalyses lieten zien dat de effectiviteit van krachttraining verschilde afhankelijk van de letsellocatie en het type interventie. Krachttrainingsprogramma’s met één component verminderden liesletsels significant met 31% (RR = 0.69, 95% BI 0.51–0.93) en hamstringletsels met 63% (RR = 0.37, 95% BI 0.25–0.55), met geen heterogeniteit tussen studies voor beide uitkomsten (I² = 0%).

Programma’s voor blessurepreventie bij het bewegingsapparaat
Van: Chen et al., Orthop J Sports Med. (2025)

 

Multicomponente preventieprogramma’s voor blessures, waarin krachttraining wordt gecombineerd met andere onderdelen zoals balansoefeningen of plyometrische training, verminderden enkelblessures aanzienlijk met 32% (RR = 0,68, BI 95% 0,52–0,89) en knieblessures met 29% (RR = 0,71, BI 95% 0,51–0,98). Er was geen heterogeniteit bij enkelblessures (I² = 0%) en bij knieblessures was die matig (I² = 47%).

Programma’s voor blessurepreventie bij het bewegingsapparaat
Van: Chen et al., Orthop J Sports Med. (2025)

 

In tegenstelling tot wat je zou verwachten, lijkt krachttraining de schouderblessurepercentages niet te verlagen. De betrouwbaarheidsintervallen voor alle analyses naar schouderblessures kruisten de nulwaarde (RR = 1,0), wat aangeeft dat er geen statistisch significant effect is. Daarnaast werd er aanzienlijke heterogeniteit gezien tussen de studies over schouderblessures (I² = 61%), wat wijst op meer variatie in de resultaten.

Programma’s voor blessurepreventie bij het bewegingsapparaat
Van: Chen et al., Orthop J Sports Med. (2025)

 

Kwaliteitsbeoordeling van de geïncludeerde studies

Alle geïncludeerde studies waren gerandomiseerde gecontroleerde trials en werden beschouwd als niveau 2 bewijs of hoger, wat wijst op een doorgaans hoge methodologische kwaliteit. Het blinderen van deelnemers voor de groepsindeling was echter een grote uitdaging, vanwege de aard van interventies met bewegings-/oefenprogramma’s. Zoals gebruikelijk is in onderzoek naar therapeutische oefentherapie, wisten deelnemers of ze de interventie kregen. Dit kan de invloed van contextuele factoren hebben vergroot en mogelijk het gedrag van deelnemers en de blootstelling aan een risico op letsel hebben beïnvloed. Daarnaast baseerden sommige studies zich op zelfgerapporteerde vragenlijsten om letsels te beoordelen, met name bij overbelastingsletsels. Dit kan rapportagebias hebben geïntroduceerd en de nauwkeurigheid van de uitkomstmeting hebben beïnvloed.

Programma’s voor blessurepreventie bij het bewegingsapparaat
Van: Chen et al., Orthop J Sports Med. (2025)

 

Questions and thoughts

De effectiviteit van een multicomponent preventieprogramma voor blessures roept belangrijke vragen op over de overdraagbaarheid van trainingseffecten naar sport-specifieke prestaties. In klinische settings is het vaak lastig om de complexe motorische taken, omgevingsbeperkingen en beslisvaardigheids-eisen na te bootsen die je tegenkomt tijdens sportdeelname. Daardoor kunnen preventieprogramma’s voor blessures voor de wedstrijdpraktijk minder eenvoudig over te dragen zijn dan vaak wordt aangenomen.

De ecologische theorie over motorische controle biedt een interessant kader om deze bevindingen te interpreteren. Volgens deze theorie ontstaat beweging door de wisselwerking tussen het individu, de taak en de omgeving. Een kernconcept is de koppeling tussen waarnemen en handelen, waarbij het bewegingsgedrag voortdurend wordt gevormd door de informatie die beschikbaar is in de omgeving. 

Toegepast op blessurepreventie: deze visie suggereert dat transfer kan toenemen wanneer trainingsomgevingen de belangrijkste waarneming-actie-constraints behouden die ook aanwezig zijn tijdens sportdeelname.

Voor hamstring- en liesblessures waren geïsoleerde krachttrainingsinterventies zeer effectief, waarschijnlijk omdat de hamstring- en adductorspieren tijdens activiteiten zoals sprinten, keren en springen worden blootgesteld aan aanzienlijke mechanische belasting. Deze bevinding kan erop wijzen dat deze blessures vooral een mechanisch karakter hebben: door de belastbaarheid van het weefsel te vergroten, richt je direct op een kernonderdeel van het blessuremechanisme. In tegenstelling hiermee ontstaan enkel- en knielletsels in meer variabele en minder voorspelbare omgevingen, met belaste bewegingen in meerdere richtingen en snelle verstoringen. Dat kan verklaren waarom multicomponente programma’s—met kracht-, balans- en coördinatieoefeningen—voor deze gewrichten effectiever lijken.

Toch kunnen deze conclusies ter discussie komen door het voortdurende debat over proprioceptieve training. Traditioneel hebben blessurepreventieprogramma’s vaak onstabiele oefenvormen opgenomen, met de aanname dat dit de proprioceptie verbetert. Recente literatuur heeft echter zowel de beoordeling als de training van proprioceptie als geïsoleerd construct ter discussie gesteld. Prestaties tijdens balansopdrachten weerspiegelen de integratie van meerdere zintuiglijke systemen, waaronder visuele, vestibulaire, cutane en proprioceptieve input. Daardoor is het lastig om vast te stellen of de waargenomen verbeteringen het gevolg zijn van een scherpere proprioceptie op zichzelf.

Vanuit ecologisch perspectief kan dit debat deels voortkomen uit een al te reductionistische kijk op proprioceptie. In plaats van proprioceptie te zien als een op zichzelf staande zintuiglijke capaciteit die onafhankelijk getraind kan worden, benadrukken ecologische theorieën de voortdurende interactie tussen waarnemen en handelen binnen een specifieke taakomgeving. Daardoor kunnen verbeteringen die worden gezien na training voor balans of op een instabiel oppervlak wijzen op een betere sensomotorische coördinatie en een effectiever gebruik van de beschikbare informatie uit de omgeving—en niet alleen op veranderingen in proprioceptieve functie.

Interessant is dat deze interpretatie mogelijk ook helpt om bevindingen uit eerdere systematische reviews over revalidatie bij chronische enkelinstabiliteit te verklaren. Krachttraining heeft consequent positieve effecten laten zien op houdingscontrole en uitkomstmaten voor dynamisch evenwicht, zoals de Star Excursion Balance Test. Interventies die als proprioceptief of neuromusculair worden aangeduid, hebben echter niet altijd aantoonbaar betere effecten opgeleverd. Samen geven deze bevindingen aan dat het vergroten van de fysieke capaciteit via krachttraining mogelijk in belangrijke mate bijdraagt aan blessurepreventie. Tegelijk blijft het specifieke mechanisme achter de voordelen van balans- en proprioceptieve interventies minder duidelijk.

 

Talk nerdy to me

De heterogeniteit van de geïncludeerde studies vraagt om zorgvuldige overweging. Zoals te zien is in Tabellen 2 en 3, laten de geïncludeerde studies in meerdere opzichten een aanzienlijke klinische diversiteit zien, waaronder de onderzochte sport, de verdeling naar geslacht, de leeftijdscategorie en de methoden voor uitkomstbeoordeling. Toch is de gerapporteerde statistische heterogeniteit in Figuur 5 0%, wat zou wijzen op een vrijwel perfecte overeenkomst tussen studies wat betreft populaties, protocollen en beoordelingsmethoden.

Deze inconsistentie wordt vooral duidelijk als je kijkt naar de analyse van de multi-component subgroep in figuur 5. Hoewel er I² = 0% wordt gerapporteerd, laten tabellen 2 en 3 wél relevante verschillen zien tussen de twee geïncludeerde studies: in de ene studie werden alleen vrouwelijke adolescenten voetballers opgenomen (Soligard, 2008), terwijl de andere studie vooral mannelijke deelnemers omvatte in een basketbalpopulatie (Stojanović, 2023). Bovendien verschilden de interventies duidelijk wat betreft frequentie (2–5/week vs. 3–4/week) en duur (een volledig seizoen vs. zes maanden), en de sportcontexten waren ook verschillend. De rapportage van nul heterogeniteit onder deze omstandigheden is daarom lastig te onderbouwen op klinische gronden alleen.

Een plausibele statistische verklaring is dat de heterogeniteitsanalyse onvoldoende power had: subgroepen die slechts twee studies omvatten leveren vrijwel geen vermogen op om de variantie tussen studies op te sporen. Dat leidt er vaak toe dat schattingen van τ² en I² op nul uitkomen als een rekenkundig artefact, in plaats van dat dit echte homogeniteit weerspiegelt. De auteurs geven echter geen expliciete beschrijving van de methode voor heterogeniteitstoetsing in de methodologie, waardoor je deze aanname niet kunt beoordelen. Deze omissie is een relevante methodologische beperking, omdat transparantie over statistische aanpakken essentieel is om de validiteit van de resultaten goed te kunnen inschatten.

Samen genomen verminderen deze zorgen het vertrouwen in de nauwkeurigheid van de gepoolde schattingen en geven ze aan dat de conclusies van de studie met aanzienlijke voorzichtigheid geïnterpreteerd moeten worden.

 

Boodschappen die je mee moet nemen

  • Krachttraining is duidelijk effectief voor blessurepreventie bij contactsporten, met een gepoolde ~30% daling in het totale blessurerisico (RR = 0,70). Dat onderstreept dat het een kernonderdeel is van preventieprogramma’s en geen optionele extra.
  • “Eenvoudig” kan enorm krachtig zijn: krachtprogramma’s met één component waren zeer effectief voor specifieke spier-peesletsels, vooral:
    • Hamstringblessures (±63% minder)
    • Liesscheuren (~31% minder)
  • Meercomponentenprogramma’s zijn relevanter bij gewrichtsblessures:
    • Enkelblessures (~32% minder)
    • Knieblessures (~29% minder)
  • Schouderblessurepreventie blijft onbeantwoord: er is geen duidelijk voordeel van krachtgerichte interventies en er is veel variatie tussen studies, wat aangeeft dat:
    • Huidige preventiemodellen richten zich mogelijk niet voldoende op de mechanismen van schouderblessures bij contactsporten
    • of dat schouderblessures context- en sportspecifieker zijn dan blessures aan de onderste extremiteit
  • Bij het opzetten van blessurepreventieprogramma’smoeten therapeuten taken prioriteren die de prestatiecontext zo goed mogelijk nabootsen—met name qua eisen aan zowel waarneming als actie—om de overdraagbaarheid naar sport-specifieke situaties te verbeteren.
  • Houd rekening met methodologische beperkingen en interpreteer de resultaten met voorzichtigheid:
    • Subgroepheterogeniteit kan onderschat worden (bijv. I² = 0% in heel kleine subgroepen)
    • Klinische diversiteit (sport, geslacht, leeftijd, protocollen) wordt niet altijd teruggezien in de statistische output
    • Dit verlaagt de zekerheid bij het maken van fijnmazige vergelijkingen tussen functietypen

 

Referentie

Chen Z, Wang J, Zhao K, He G. Naleving van krachttraining en lagere incidentie van sportblessures bij contactsporten: Een systematische review en meta-analyse. Orthop J Sports Med. 21 mei 2025;13(5):23259671251331134. doi: 10.1177/23259671251331134. PMID: 40416997; PMCID: PMC12099121.

Informeer je cliënten over effectieve herstelstrategieën met ons

100% GRATIS POSTERPAKKET

Ontvang 6 high-res posters met een samenvatting van belangrijke onderwerpen in sport herstel om op te hangen in je kliniek/gym.

 

Gratis herstel posterpakket